Alwin op cursus [5]

 

 
 

Week 5: “Kijk, dat is nou eenmaal zo…”

Ik ben dol op modellen, want ze zeggen veel met weinig. Elke poging om een deel van mijn omgeving te vangen in een paar termen of variabelen juich ik toe, want de wereld is een rommelige en onoverzichtelijke plaats. Iedere constructie die orde in de chaos kan scheppen werkt kalmerend en geruststellend. Als je ergens op kunt vertrouwen, dan is het dat a2 + b= c2 … elke keer weer! Voor wie houdt van overzicht en regelmaat is het Periodiek Systeem een must. En zelfs hardnekkige ataxofoben vinden rust in de Tweede Hoofdwet die stelt dat chaos een logische plaats heeft in onze universele orde.

teaching_physics

Dat ik sommige systemen niet echt begrijp, neem ik op de koop toe. Einsteins ruimtetijd blijft een lastige, maar gelukkig hoef ik de relativiteitstheorie niet te begrijpen om blij te zijn dat TomTom mij thuis brengt met een precisie van 5 meter in plaats van 5 kilometer.

Was het maar zo makkelijk met modellen die niet uit de exacte hoek komen, bijvoorbeeld die uit de sociale wetenschappen. Verlichtingsfilosofen dachten dat de menselijke geest zich snel zou leren kennen, maar het universum onkenbaar zou blijven (vanwege Gods ondoorgrondelijke wegen). Het tegendeel bleek waar te zijn. Mensen blijken ingewikkelder te zijn dan atomen en natuurwetten. 

Het gevolg hiervan is dat wij mensen bijna niet met droge ogen kunnen kijken naar modellen waarin menselijk handelen wordt uitgelegd, laat staan voorspeld. We zijn zelf het onderwerp en dat maakt een objectief standpunt vrijwel onmogelijk. De taal van het model is die van onszelf. Hierdoor kunnen we alleen processen beschrijven die we kunnen vangen in onze taal. Dat die taal zwaar beladen is met allerlei (individuele) betekenissen, daar komen we na verloop van tijd wel overheen. Dat we misschien wel processen mislopen waarvoor we geen woorden hebben, lijkt me problematischer.

De exacte wetenschap heeft pas echt grote stappen kunnen zetten nadat filosofie en empirie de handen ineen hebben geslagen, met een aantal louterende zekerheden als resultaat. De aarde draait om de zon, leg je erbij neer. E=mc2, of je het nou leuk vindt of niet. 

Ook de sociale wetenschap zal pas echt tot bloei komen als we de subjectieve en onbewuste processen kunnen uitdrukken in een taal die onze huidige beschrijvende vermogens overstijgt.

Dat levert ongetwijfeld modellen op waarvan we - gerustgesteld en kalm - kunnen zeggen: “Kijk, dat is nou eenmaal zo…”

 

Alwin op cursus [4]

 

 
 

Week 4: Het gesprek

Een groep van veertig mensen, overwegend mannen betrekt onder gezellig gemompel de stijl aflopende onderwijstheaterzaal. Onder het toeziend oog van het zilvergrijze directieduo schuift de meute zich in de nauwe rijen met vier of vijf geschakelde stoelen. Hier en daar schieten mensen in de lach als mensen op weg naar een plaats bij het raam onverhoopt bij collega’s op schoot belanden.

‘Nou, als de nieuwe werkplekken er zo uitzien…’ 
‘… dan boek ik nu alvast een plaats bij het gangpad!’

Want daarvoor is iedereen gekomen: om van de directie te horen wat er nu precies gaat gebeuren met de nieuwe werkplekindeling. De kwestie is al maanden het gesprek van de dag. Een tijd geleden is een groepje vreemden gesignaleerd dat het gebouw kwam opmeten. Niemand heeft hen ooit teruggezien. 

Voordat deze kwestie aan bod komt, mogen drie collega’s iets vertellen over een open dag, een onderzoek en nog iets. Bij de eerste spreker let iedereen op, bij nummer drie schuiven de meesten heen en weer op hun stoel terwijl ze steeds aandachtiger hun mobiel checken.

Vrijwel iedereen is blij met zijn werkplek. Overdag ziet men vooral lege lokalen, lege bureaus van collega’s die aan het werk zijn en rondom de lunch een half lege personeelskamer. De prakticaruimten zijn altijd vol, dat is algemeen bekend en er is geen ruimte om met studenten te overleggen. De meeste mensen zijn bang om hun vaste werkplek te verliezen en tot nu toe heeft de directie alleen gezegd dat alle opties open liggen.

Dan start het agendapunt waarvoor iedereen gekomen is. Het publiek gaat massaal recht zitten.

De directie vertelt. Het gebouw is overvol. De roosteraar krijgt de lokalen niet rond. We hebben geen keus. We moeten woekeren met de ruimte die we hebben. Op het scherm verschijnen cijfers en en lijnen en dan een plattegrond van het gebouw. We hebben de mogelijkheden geïnventariseerd. Er komt een aantal grotere werkruimtes waarin we alle poppetjes hebben getekend…

‘De practicaruimtes? Wat gebeurt daarmee?’
‘Aan de practicaruimtes valt niets te doen.’

‘Waar is mijn bureau?’
‘Jullie vakgroep deelt met z’n zevenen vijf bureaus.’

‘Ligt deze indeling vast?’
‘Iedereen mag de komende tijd reageren. We hebben nog een paar plaatsen over. De verbouwing is gepland in de zomervakantie.’

‘Welke verbouwing?’
‘Die volgens deze tekening…’ 

‘Reageren bij wie?’
‘Vandaag of morgen sturen we even een mailtje rond over hoe nu verder…’

Iemand roept ‘Klinkt als flexplekken…’
Een ander roept ‘Dat zouden we niet doen…’
Weer iemand anders roept ‘Sorry hoor, maar hier heb ik niet om gevraagd…’

Het ene directielid kijkt verstoord en zegt ‘Doe niet zo negatief; we hebben geen keus.’

Vooraan begint iemand zich traag zijn rij uit te worstelen, mompelend ‘Ik ga weer aan’t werk.’

Het andere directielid negeert de worsteling en zegt ‘Mensen, we zitten aan de tijd…’ waarna ook de rest van de aanwezigen opstaat en zwijgend de zaal verlaat.

 

Alwin op cursus [3]

 

 
 

Week 3: Mi Casi es tu Casi

casi-image-01Casi 3.0 klinkt niet alleen als een eigentijds spelletje (Boggle, Set, Scabble), de uitgave van de Dienst Publiek en Communicatie oogt ook nog eens als een gezelschapsspel, compleet met handleiding, speelbord en spelkaarten.

Een spelletjesfreak ben ik niet. Toch moest ik bij het bekijken van Casi 3.0 de neiging onderdrukken om de inspiratiekaarten uit te knippen en de drie delen van het speelbord - Beleidsanalyse in vijf, Gedragsanalyse in drie en de Strategische aanpak in vijf zetten - aan elkaar te plakken tot één geheel.

Pionnen in de aanslag… rol de dobbelstenen!

casi-kaftDat Casi - voluit: Campagnestategie-instrument - geen spelletje is, dat gaf de saaie voorkant natuurlijk al een beetje weg. Maar wie begint met lezen merkt al snel dat zijn gedachten heen en weer gaan springen van bestaande campagnes naar de mogelijkheden om het gedrag van mensen te sturen op nieuwe manieren. En voor wie houdt van overzicht levert Casi bovendien nieuwe ideeën om orde te scheppen in diverse soorten chaos (waarover later wellicht meer).

Wat is Casi 3.0 dan wel?

Bekijk je het simpel dan is Casi een checklist voor wie wil dat een groep mensen zich anders gaat gedragen. Waaraan moeten we denken bij het ontwerpen van een gedragsveranderende campagne (kort: een GeCa)? Welke doelen hebben we? Welke middelen?

Een stap verder en Casi is een handleiding voor de campagnemanager om het eerste deel van zijn nieuwe GeCa-project uit te voeren. Met Casi breng je op overzichtelijke wijze de strategische uitgangspunten in kaart. Wat je verder met die uitgangspunten doet? Daarvoor zijn weer andere (project-)methodieken.

Nog een stap verder en Casi is een manier om draagvlak te krijgen voor je campagne. Casi agendeert namelijk drie momenten waarop de partijen die belang hebben (binnen Casi overigens wat vrijblijvend ‘gesprekspartners’ genoemd) bij een GeCa elkaar treffen om hun belangen en ideeën op elkaar af te stemmen.
Wat dat betreft zou er op de verzamelformulieren ruimte moeten komen voor de namen en handtekeningen van deze partijen. Dat is niet alleen goed voor het commitment, het maakt ook meteen zichtbaar door wie de campagne allemaal wordt gedragen.

Dichterbij een gezelschapspel dan dit komt Casi 3.0 niet. Want juist de systematische aanpak laat weinig ruimte over voor het lot - Casi 3.0 speel je dan ook zonder dobbelstenen - en als het spel goed wordt gespeeld, dan is iedereen de winnaar.

[Lees meer over de ontwikkeling en toepassing van Casi op www.rijksoverheid.nl.]

 

Alwin op cursus [2]

 

 
 

Week 2: Lees maar, er staat niet wat er staat.

De titel van dit stukkie werd ooit door Nijhoff gebruikt in zijn lange gedicht Awater, een gedicht waarop honderden, misschien wel duizenden literatuurstudenten zich in de loop der jaren hebben blindgestaard in een poging te achterhalen wat er nou precies wel staat en wat niet.
Welke betekenissen hebben de woorden die de schrijver gebruikt? Welke suggestie wekt hij ermee? Welk beeld roept hij op?

Enter discoursanalyse! Want deze manier om naar gedichten te kijken lijkt verdacht veel op de manier waarop er de laatste jaren door sommigen binnen het communicatievak naar teksten en gesprekken wordt gekeken. Met de analyse van een discours - een gesprek, live of als tekst - kun je achterhalen welk doel iemand heeft met een gesprek of tekst. Hoe probeert hij dat te bereiken (met welke strategie)? Hoe werkt hij aan zijn imago, zijn identiteit, zijn geloofwaardigheid?
Op die manier leer je de taal spreken van de mensen die je wilt bereiken. Je leert de woorden en formuleringen kennen waarvoor ze allergisch zijn of juist heel gevoelig.

Vandaag besloot ik om een discoursanalyse los te laten op de organisatie waarin ik een paar dagen per week werk, meer in het bijzonder op een e-mailcorrespondentie tussen een handvol medewerkers over de (her)huisvesting. Deze correspondentie werd gevoerd met een - niet bijster strategische - cc aan iedereen, vandaar dat ook ik vanaf de zijlijn kon meelezen.

Over de organisatie moet je weten dat de macht niet bij de directie ligt, maar bij verschuivende coalities rondom medewerkers die ‘Apeldoorn’ nog hebben meegemaakt, waarbij Apeldoorn staat voor ‘vroeger, toen alles nog gezellig was’. De directie verstrekt nooit een directe opdracht, maar suggereert doorgaans aan drie mensen tegelijk dat zus-en-zo eigenlijk voor dan-en-dan geregeld zou moeten worden. De medewerkers laten zich alleen binnenskamers horen en de stelligste uitspraken worden nooit herhaald in het bijzijn van twee of meer personen. Wie vindt dat er iets moet gebeuren krijgt impliciet, indirect en meestal via e-mail te horen ‘dat er weinig animo voor is maar dat je het natuurlijk altijd kunt proberen…’.

Een analyse van de huisvestingscorrespondentie zou duidelijk moeten maken waar het gespreksprobleem van de deelnemers ligt. Mijn vermoeden was, dat de verlamming die ik in de vorige alinea heb geschetst, zichtbaar zou moeten zijn in de manier waarop mensen met elkaar in het openbaar van gedachten wisselen, zeker over een heikel onderwerp als herhuisvesting.

Ok, het gevaar van een forse bias is hier nogal groot, maar daar staat tegenover dat de voorbeelden uit de mailcorrespondentie vrij helder zijn…

“Ik denk dat weinig collega’s de “verworven rechten” op een eigen werkplek willen inleveren. Ik ben daar ook geen voorstander voor [sic].”

Een paar zaken vallen op in deze uitspraak. De term ‘verworven rechten’ staat tussen aanhalingstekens, waarmee de schrijver duidelijk maakt dat hij weet dat het hier niet om echte rechten gaat. Toch worden deze non-existente rechten opgevoerd als iets wat je hebt en weer in kunt leveren.
De collega’s hebben niet met zoveel woorden gezegd dat de ‘verworven rechten’ op het spel staan, nee, de schrijver denkt dat alleen maar.
En zegt de schrijver dat ie tegen inleveren van deze ‘verworven rechten’ is? Nee, hij is alleen geen voorstander.

Drie keer formuleert de schrijver zijn mening zo, dat hij op elk moment terug kan krabbelen. Dat was wel anders geweest wanneer hij had geschreven:

“Een eigen werkplek is een verworven recht. Ik heb schriftelijk bewijs dat de meeste collega’s die plek per se willen houden. Ik wil ook mijn eigen plek houden.”

Het verworven recht is hier een feit, de schrijver weet zeker dat de meeste collega’s hun plek willen behouden en zelf wil hij in deze kwestie maar één ding: blijven zitten waar hij zit. Ontkennen of nuanceren behoort niet langer tot de mogelijkheden.

De mail waarmee het allemaal begon is zo mogelijk nog vager. Het onderwerp is onmiskenbaar het dreigende verlies van de eigen, vaste werkplek. Er spreekt ongenoegen uit de mail, zorg en angst. Maar nergens staat expliciet vermeld dat de afzenders anti-flexplek zijn en beslist een eigen werkplek willen, bij voorkeur degene die ze nu hebben.
De volgende drie zinnen komen vermoedelijk het dichtst in de buurt bij wat ze willen of vinden:

“Een groot aantal medewerkers heeft hier geen goed gevoel bij.”

“Als we geen flexplekken willen, moeten we dat nu kenbaar maken!”

“Door een reply te geven op deze mail, eventueel aangevuld met jouw ideeën, hoop ik dat er ruimte komt om een plan te maken waar iedereen wel een goed gevoel bij heeft.”

De machtsmobilisering is in volle gang. Laat je horen! Samen kunnen we ervoor zorgen dat het anders wordt!
Maar ook hier geen expliciete mening van de schrijvers. Ja, een niet nader genoemd aantal anderen heeft er ‘geen goed gevoel bij’. En we moeten iets doen, maar alleen als we die flexplekken echt niet willen. En pas als de collega’s hebben gereageerd - al dan niet inhoudelijk - ontstaat de hoop op verandering, een verandering die overigens niet hoeft te beginnen bij de schrijvers of bij de reagerende collega’s.

Kortom, ook hier formuleren de schrijvers op zo’n manier dat ze nooit een standpunt innemen. Ze suggereren wel een mening, maar op elk gewenst moment kunnen de schrijvers deze suggestie ontkennen. Dat was niet mogelijk geweest als zij hadden geschreven:

“Vijfenzeventig procent van de collega’s baalt ervan dat ze hun plek kwijt kunnen raken. Wij ook. Wij willen geen flexplekken en dat gaan we meteen doorgeven aan de directie.
Stuur nu je ideeën naar ons op, dan verzinnen we samen een alternatief voor dit onzalige plan.”

In een organisatie waar discoursen zo omfloerst worden gevoerd, is iets aan de hand. Zelfs een vluchtige analyse maakt dat duidelijk.
Angst, apathie en een gevoel van machteloosheid verlammen de gesprekken en daarmee de besluitvorming. Wie hier een gesprek over huisvesting wil voeren (laat staan beïnvloeden) is gewaarschuwd: het ongenoegen is groot - een aanknopingspunt voor een gesprek! - maar het wordt lastig om mensen hardop te laten zeggen wat ze echt vinden. De kans op het vinden van consensus over dit onderwerp wordt daardoor erg klein. En dat maakt de problemen van een directie zonder daadkracht, die het moet hebben van wat de medewerkers zelf initiëren, alleen maar groter.

 

Instant Heat

Iwan – Instant Heat

Video van Iwans nieuwe song 'Instant Heat', afkomstig van hun nieuwe ep 'Heading North'.
De oplettende kijker ziet halverwege de drummer een vrolijke dans doen...

Heading North is verkrijgbaar op iTunes

Alwin op cursus [1]

 

 
 

Week 1: Op zoek naar de kleine en grote ideeën

Sinds vorige week volg ik voor het eerst sinds mijn afstuderen, zo’n vijfentwintig jaar geleden, een cursus. Een ontregelende ervaring die de nodige zelfbeheersing vergt. Normaal gesproken ben ik degene die praat, die de vragen stelt, die de nieuwe invalshoeken laat zien, maar nu kom ik om te luisteren naar mensen van wie ik vermoed dat zij buitengewoon deskundig zijn op hun vakgebied.

Wat?! Vijfentwintig jaar niet bijgeschoold?

Nou, zo zou ik het niet willen zeggen. Ik lees al jaren alles wat los en vast zit over gedrag, neurowetenschappen en nog veel meer. Waar mogelijk stop ik nieuwe inzichten in mijn schrijfwerk, mijn communicatieadviezen en in de communicatiecursussen die ik maak en geef.
Wat dat betreft is het volgen van een cursus hetzelfde als het lezen en verwerken van een stapel boeken, met dit verschil dat ik nu voor de komende tien weken denk- en leestijd heb ingepland.

Georganiseerde denktijd is mooi, maar… wat te doen in die tien weken? Mijn leercurve vastleggen zoals Joris L. dat beschrijft? Zijn Ted-talk was inspirerend en met zijn recente bankenboek laat hij zien dat zijn leercurve-verhaal echt werkt… voor journalisten.

Zelf heb ik veel minder de drang om een onderwerp uit te leggen aan anderen. Dat klinkt misschien vreemd voor iemand die de helft van de week doceert aan een hogeschool, maar dat is het niet. Als tekstschrijver, communicatieadviseur en als docent help ik mijn klanten om het gedrag van hun omgeving op een effectieve manier te beïnvloeden en zodoende mensen te winnen voor hun ideeën en te bereiken wat ze willen. Daarvoor heb ik vooral praktisch toepasbare kennis nodig.

Het Grote Gedragskundige Verhaal erachter is interessant en voor mezelf wil ik graag de samenhang ontdekken, maar de komende weken zal ik toch vooral op zoek zijn naar de grote en kleine ideeën die ik meteen in de praktijk kan brengen.

Deze keer alleen niet in een leesboek, maar in een interactief kijk- en luisterboek.

 

Mooi werk… [33]

 

 
 

Met een warme, kalmerende gloed in zijn maag kwam hij even later terug op het terras, waar Rolinde in afgemeten zinnen een einde draaide aan een mobiel telefoongesprek. Op een kleine afstand bleef hij staan. Een vreemde, dacht Alvert, een aantrekkelijke onbekende dame wachtend op een collega, een vriendin, een minnaar; zulke mensen ken ik helaas niet. Van een afstand zag hij hoe zij zich bukte om de telefoon in haar tas te stoppen, hoe haar bloes zich om haar smalle rug spande, hoe zij overeind kwam en met een zwaai haar paardenstaart naar achteren gooide, hoe zij met haar slanke handen over haar gezicht wreef, hoe zij het zilveren hangertje in de V van haar décolleté schikte, hoe zij peinzend in de verte staarde, hoe ze hem in de gaten kreeg, hoe een glimlach op haar gezicht verscheen die het effect van de jenever in zijn lijf leek aan te jagen als een alcoholische deeltjesversneller.
Hoe zij hem met een welgemikte opmerking in beweging kreeg en naar hun tafel haalde: ‘Ha, daar is de ober!’
In opperste concentratie legde hij de laatste meters af, licht in zijn hoofd, onvast onder haar blik. Hij nam zich voor om niets meer over zichzelf te vertellen en alle aandacht en belangstelling te concentreren op de intrigerende verschijning bij hem aan tafel. Met een ingehouden zucht plofte hij in zijn stoel. Hij knikte met zijn hoofd richting haar tas en vroeg of de plicht haar misschien zojuist geroepen had. Laat maar vertellen, dacht hij en hij voelde zijn oogleden zwaar worden. Ik luister wel, ik kijk wel.
Nee, werk was het niet geweest. Ze had even moeten bellen aangezien er mensen op haar rekenden met eten en zij waarschijnlijk iets later zou zijn. Mensen in kwestie hadden wat korzelig gereageerd, maar alles was uiteindelijk geregeld. Ze vertelde Alvert dat ze de laatste dagen eigenlijk helemaal geen zin had in eten, aangezien ze zich niet helemaal honderd procent voelde. ‘Jeweetwel, zo’n lichte druk, alsof je zenuwachtig bent, tegen misselijkheid aan.’ Alvert knikte begripvol, waarbij hij heel even zijn ogen sloot. Rolinde nam een slok en vervolgde ‘Maar eigenlijk ben ik altijd wel een beetje pietluttig met eten. Kleine porties, kleine hapjes… thee is eigenlijk het enige dat me altijd smaakt.’
Geanimeerd keuvelde ze verder, terwijl Alvert toegaf aan het lome gevoel dat zich inmiddels gelijkmatig over zijn hele lichaam had verspreid. Voorzichtig liet hij zich naar de achtergrond glijden, een dimensie verderop, van waaruit hij zich volledig concentreerde op haar ogen, lippen en vingers. Elke beweging die zij maakten voelde als het landen van donzen veertjes op zijn huid. En hoewel hij in de verte de levendige drukte van een goed gevuld terras waarnam, klonk elk woord dat zij sprak vlak naast zijn oor. Hij glimlachte traag en tevreden, knikte en mompelde zo nu en doen wat om haar te laten weten dat hij nog steeds aanwezig was.
Ergens achter hem, nog een dimensie verder, bestond een wereld waarin muzikale dames jubelend dansten om zijn zelfgemaakte verzen, waarin vrijwilligers met thee en koek kultuurkerken beheerden en arbeidsconsulenten werkten aan hun eigen carrière door hem verplicht te laten zoeken naar een baan. Een wereld waarin versblaadjes zijn gedichten afdrukten zonder dat hij wist wie ze zou lezen, waarin hij brieven schreef en vuilniszakken vulde met in onbruik geraakte spullen. Een wereld waarin mensen zijn antwap volspraken en hij afspraken had om na te komen.
‘Zeg, moest jij niet ergens heen?’
Alvert schoot naar voren en keek zoekend om zich heen. ‘Inderdaad…’ De klok op straat gaf aan dat hij maar vijf minuten te laat zou komen als hij nu vertrok. Plus een uur, maar dat was hij even kwijt. Vijf minuten vond hij eigenlijk wel chique. Vijf minuten later dan afgesproken maakte tenminste geen overijverige indruk. Vijf minuten te laat was welbeschouwd precies op tijd.
‘Nou, dan ga ik maar…’ zei Alvert, terwijl ze allebei tegelijk opstonden. Rolinde knoopte haar jas dicht en greep haar tas. Alsof ze elkaar al jaren kenden legde Alvert een hand op haar schouder en zoende haar op beide wangen. Rolinde zoende zo’n beetje in de lucht, maar hij zou zweren dat ze daar veel langer over deed dan strikt noodzakelijk was.
‘Bedankt voor de thee,’ zei Rolinde in de buurt van zijn oor.
‘My pleasure,’ zei Alvert en verliet behoedzaam het terras.

 

Mooi werk… [32]

 

 
 

‘Die regisseur zag het meteen voor zich, hoe de belichting moest zijn, de choreografie, de balans tussen voordracht en muziek… De eerste de beste keer dat hij mijn werk las, begon hij spontaan te acteren alsof hij al precies wist wat het ging worden.’
Ook dat klopte ongeveer, maar het waren altijd moeilijke momenten, vond Alvert, als volwassen mensen zich zo prominent en luidruchtig manifesteerden waar je bij stond. Waar moest je kijken? Om straatartiesten kon je heenlopen, maar de tantes die vroeger ineens uitbarstten in gezang waarbij ze je verwachtingsvol bleven aankijken? De vriendinnetjes die elk zelfgemaakt levensliedje aan je voorspeelden op hun gitaar? De vage bekenden die ongevraagd en hardop verzen voordroegen van eigen makelijk? Je wist vaak niet hoe je het had. Met het verwateren van zijn sociale netwerk kwamen zulke gênante momenten gelukkig nauwelijks meer voor.
Maar het moment met regisseur Han was er weer zo een. En oog in oog met de schmierende kleinkunstenaar merkte hij meteen dat hij zijn plaatsvervangende schaamte nog lang niet de baas was. Dat de kleine kunstenmaker daarbij Alverts eigen teksten reciteerde maakte de zaak alleen maar erger. Han trok van leer als een ware reïncarnatie van een ziedende Ko van Dijk, maar tot zijn verbazing voelde Alvert de rap opgekomen gêne over zijn eigen schrijfsels en over de kunstzinnige aanstellerij in zijn onmiddellijke nabijheid langzaam inzakken en plaatsmaken voor berusting. Mensen waren kennelijk tevreden met zijn werk. Wie was hij om daarop af te dingen? Ook de ogen van Josje en Margje lichtten steeds verder op en het duurde toen niet lang meer of alle vier de aanwezigen raakten in de ban van een bruisende muziekvoorstelling waarin golvende versregels de liederen op kunstzinnige wijze met elkaar verbonden.
Hans verbeelding bleek geen grenzen te kennen. ‘Ik zie…, ik zie… een reiziger!’ riep hij uit en beschreef hoe een verteller-reiziger zich met een koffer langs alle uithoeken van het toneel zou begeven om daar zijn commentaar te leveren op de inhoud van de liederen. Wat zat er in die koffer…? ‘Een…, een…, een boek!’ Jaaah, een boek… Josje & Margje stootten elkaar instemmend aan. ‘En een roos!’ Jaaah, een roos! En een zaklamp! En een fluit! Jaaaaah…! Hans voorhoofd glom en zijn ogen stonden wijdopen. Alvert maakte driftig aantekeningen voor het geval er straks nog tekst moest worden bijgemaakt. Margje was ondertussen opgesprongen. Met een pen voor haar roodgestifte mond stond ze te zingen uit het voorstellingsrepertoire. ‘You-kaaa-li!’ ‘Les filles de Bor-r-r-deaux!’ waarop Han met grote gebaren willekeurige zinnen uit Alverts tekst reciteerde en Josje bij gebrek aan hobo in haar handen klapte als begeleiding. In Hans hoofde groeide de voorstelling uit tot een totaalervaring met een prominente rol voor een spreker, een verteller, een commentator, een verslaggever, een reisleider, een gids, een spreekstalmeester, een maitre de ceremonie…
‘… kortom, een dichter!’ Han keek Alvert stralend aan. Josje en Margje sloegen allebei een arm om Alverts schouder, drukten hem aan beide kanten een warme, vochtige zoen op zijn gloeiende wangen en verzuchtten met waterige ogen hoe mooi het allemaal zou gaan worden.
En toen Alvert die avond uitgeput op zijn bank plofte voelde hij een breekbaar soort opluchting, alsof hij nog niet helemaal kon geloven dat zijn gedichten in vruchtbare aarde waren gevallen en hij deze dag werkelijk tot een goed einde had weten te brengen. Die nacht had hij niet kunnen slapen.
‘Nou, je zult wel benieuwd zijn wat ze ervan gaan maken,’ zei Rolinde, die ondertussen met een hand haar borstbeen streelde. ‘Het klinkt, ehm… interessant.’ Ze aarzelde even en legde toen haar hand op zijn been. ‘Hé, zullen we nog één kopje thee doen?’
Vanaf haar hand schoot een elektrische stroom omhoog die prompt het mechaniek in zijn kruis in werking zette. Dáár moest hij over schrijven, dacht hij, terwijl hij zijn mechaniek wat meer bewegingsvrijheid probeerde te geven door te gaan verzitten. Over de indrukken en impulsen waar je machteloos op reageert. Over de wens zulke impulsen af te geven, in plaats van willoos te ondergaan. Hij sloot heel even zijn ogen en zag hoe Rolinde haar bloes liet afglijden van haar ranke schouders en hem met beide handen haar borsten aanbood, nadat hij haar had voorgelezen uit zijn eigen werk.
Toen hij zijn ogen weer opende zag hij buiten op de klok dat hij een minuut of tien te laat op zijn afspraak zou arriveren als hij nu vertrok. De Kultuurkerk stond hier niet ver vandaan. Hij kwam niet graag te laat, zeker niet zonder goede reden. Tien minuten te laat maakte een slordige indruk en duidde op een verwijtbaar tekort aan punctualiteit. Het leek hem beter om nog even te wachten en het uur vol te maken. Dat suggereerde tenminste een volle agenda en een soort verstrooidheid (‘Half vijf?! Ik dacht werkelijk half zes…’) die hij goed vond passen bij succesvolle dichters.
‘Ja, da’s goed,’ zei hij en sprong op voordat Rolinde haar bestelbeurt kon nemen. ‘Laat mij maar even.’ Achter zijn rug hoorde hij haar nog wat protesteren. Een eigen baan. Fifty-fifty. Je krijgt het zo terug. Maar Alvert liep door, voorbij de opzichtig wuivende gedachte aan zijn beroerde financiën en bestelde aan de bar twee thee en twee jenever.

 

Mooi werk… [31]

 

 
 

‘Maar deadlines en tijdsdruk nog veel meer!’ riep Alvert na enige tijd en om het dreigende gespreksvacuüm te vullen begon hij een rommelig verhaal waaruit moest blijken hoe hij het voor elkaar had gekregen om in slechts één week maar liefst vier A4-tjes vol te schrijven met kwalitatief hoogwaardige dichtkunst. Hij schilderde haar een impressionistische beeld van een week vol orde, regelmaat, doortastendheid en opperste concentratie, waarbij hij tot zijn eigen verbazing tegelijk een kleurrijk verband wist te leggen tussen onderwerpskeuze, inspiratie en een ijzeren discipline. Her en der strooide hij met relativerende opmerkingen opdat hij niet als een volbloed bralaap zou overkomen: tot mijn verrassing, deze keer ging het ineens goed, blij dat het lukte… Rolinde luisterde geboeid en zelfs met enig ontzag naar zijn verhaal, dat steeds minder leek op de herinnering aan de week die volgde op zijn ontmoeting met Margje en Josje.
Er was helaas maar weinig tijd, hadden Josje & Margje hem enigszins teleurgesteld verteld. Ze hadden graag meer tijd gehad, maar de agenda van de regisseur zat vol en Margje had alweer maanden geleden enthousiast twee avonden geboekt in het Straattheater, een middelgrote zaal voor onafhankelijke toneel- en muziekproducties, in de veronderstelling dat zij daarmee ruim de gelegenheid zouden hebben om niet alleen de liederen te perfectioneren, maar ook het totaalprogramma. Met de muziek zat het inmiddels wel snor, dat zou hij wel merken. Nu de rest nog. Vandaar dat Josje meteen al op de avond van hun eerste ontmoeting de liedteksten bij hem door de bus kwam gooien. Twee keer had ze tevergeefs bij hem aangebeld en nadat hij beneden een zware envelop op de mat had horen vallen, zag hij haar van achter de leuning van de bank de straat uit fietsen. Er zat een geeltje op geplakt dat zei ‘tot volgende week; voel je niet verplicht’, maar Alvert wist dat het moeilijker zou zijn zich af te melden, dan uit te voeren wat hij in zijn overmoed had toegezegd.
De rest van de week had hij Margje, Josje en Weill zo goed mogelijk genegeerd. Zoals altijd bij zaken waarvoor hij zich met tegenzin had laten strikken dacht hij dagenlang succesvol nergens aan, totdat er een alarm afging in zijn hoofd. Dan was het de avond voor de volgende afspraak en moest hij in een noodtempo inhalen wat hij een week had laten liggen. Met tegenzin las hij de teksten een keer vluchtig door - zware, pretentieuze kost - ernstig afgeleid door het besef dat hij morgen met iets bruikbaars op de proppen moest komen, om vervolgens in een ongehoord tempo drie-en-een-half A-viertje geheel vol te schrijven met ronkende woorden en zinderende zinnen. ‘Rammelende kettingen en zwierende banieren…’ Dat klonk alvast als interbellum. Iets met ‘hoeren en erge dingen op de bodem van rivieren…’ Prima. Af en toe raadpleegde hij het verstrekte tekstmateriaal om te zien of er nog een voorwerp werd genoemd dat hij kon gebruiken. Treinen, lichaamsdelen, dingen die vies ruiken. Toen hij daar doorheen was, en hij een tweede fles goedkope Valpolicella had ontkurkt, begon hij aan de attributen uit zijn eigen dagelijkse leven. Als vanzelf kwamen daar de winkeljuffrouw, de gordijnen van de buren, de treurnis van kale mannen met kleine hondjes. Het scheelde niet veel of hij had de vier pagina’s helemaal volgemaakt.
‘De tekst viel meteen in goede aarde. Ze waren laaiend enthousiast,’ zei Alvert zonder de waarheid ditmaal veel geweld aan te doen, al vermeldde hij niet dat beide muzikanten hadden gerekend op een dichterlijke bijdrage van een regel of tien, een sonnet op zijn hoogst. De ruim drie pagina’s had ze aanvankelijk ernstig doen slikken, bang als ze waren dat hun eigen liedjes terrein zouden gaan verliezen aan de eindeloze verzen van een vreemde. Maar hun twijfels bleven onuitgesproken, want Han, de kleine, compacte regisseur van onafhankelijke eenakters en monologen, zag meteen een wereld aan mogelijkheden voor ogen en veegde voordat ook maar iemand iets kon zeggen met een bulderende voordracht van Alverts tekst elk voorbehoud van tafel.

 

Mooi werk… [30]

 

 
 

Met die geruststellende gedachte draaide hij voorbij de balie richting uitgang, waar hij plotseling oog in oog stond met twee middelbare vrouwen.
‘Ga jij misschien over de Kunstkerk?’ vroegen de vrouwen in koor.
Alvert voelde zich betrapt en wilde zeggen dat hij alleen maar op weg was naar het toilet, tot hij begreep dat beide dames hem voor een vrijwilliger aanzagen. Hij trok snel zijn vriendelijkste gezicht en zei met nogal wat nadruk ‘Nee, maar ik zou jullie wel kunnen onderhouden met een aantal huisgemaakte verzen,’ want ineens wist hij weer wat hij hier oorspronkelijk kwam doen.
Alvert boog zich naar voren, schoof met een vinger zijn kop en schotel naar het midden van de tafel en liet zich toen terugvallen in zijn stoel. ‘Om een lang verhaal kort te maken: we raakten aan de praat. Zij zochten gedichten voor hun Weill-programma, ik was op zoek naar een etalage, een podium. De rest is geschiedenis. Nou ja, wordt geschiedenis, want de premiere is pas over een week of vijf. Zo meteen is er weer een repetitie waar ik nog een keer bij moet zijn.’
Vanuit zijn ene ooghoek zag hij op de lantarenpaalklok dat deze afspraak inmiddels zonder hem begonnen was. Vanuit zijn andere ooghoek zag hij hoe Rolinde bewonderend naar hem lachte. Het werkte echt, dacht hij. Mensen houden van dichters, vooral als ze zelf nooit lezen. Hij besloot er nog een schepje bovenop te gooien en beschreef haar een rijkgeschakeerd beeld van zijn dichterlijke bijdrage op een sober maar smaakvol aangekleed podium. Een uitgekiende belichting zorgde voor een passende jaren twintig sfeer. Zijn versregels verbonden de liederen als guirlandes hangend van raam tot raam.
‘Het is alleen nog niet duidelijk wie de teksten gaat inspreken,’ zei Alvert met opgeheven handen. ‘Ik neem aan dat de regisseur dat doet. Die heeft daar wel de stem voor.’
Zolang beide muziekdames het maar niet doen, dacht hij er achteraan, want die klonken allebei als een Brabantse versie van koningin Juliana. Zijn gedichten waren weliswaar in een vloek en een zucht tot stand gekomen, dat betekende nog niet dat ze in het openbaar om zeep geholpen moesten worden. Nu ja, het was zijn zorg niet. Hij had zijn aandeel geleverd, op tijd zelfs en, zoals het zich liet aanzien, naar ieders tevredenheid.
Rolinde knikte begrijpend, al ‘was ze zelf niet echt van de kunst’. Ze vertelde hoe ze op vakantie thrillers verslond, maar thuis eigenlijk alleen vakliteratuur tot zich nam. In het theater kwam ze nooit, behalve als daar toevallig een vakbijeenkomst werd gehouden. Gedichten vond ze wel heel mooi, maar sommigen waren vaak een beetje vaag, die begreep ze dan niet. ‘Dat ligt aan mij, hoor,’ stelde ze hem gerust. ‘Ik vind het altijd knap als mensen “dat allemaal” zo kunnen schrijven, ik bedoel, waar halen ze het vandaan?’
Dat wist Alvert ook niet. Onderwerpskeuze was nou juist zijn voornaamste obstakel. De dagelijkse dingen, had hij kunnen zeggen, maar de laatste tijd maakte hij te weinig mee om op dat idee te komen. Hij keek Rolinde doordringend aan en zei ‘Nou, bijvoorbeeld van toevallige ontmoetingen met onbekenden…’ In haar nek zag hij een paar lichtrode aanmoedigingsvlekken verschijnen. ‘Zeg maar, ontmoetingen zoals deze!’ Verbaasd keek ze hem aan terwijl ze met haar wijsvinger een cirkel draaide boven de tafel. ‘Ga je hier een gedicht over schrijven?’ Alvert knikte en zei dat een gedicht toch ergens over moest gaan, nietwaar? Je kon overal over schrijven, als je er maar tijd instopte en met discipline en volharding bleef schaven en slijpen aan de regels die je te binnenschoten. Als je maar bereid was je dierbare eerste ingevingen te schrappen. Het schrijven van gedichten was een ambacht dat fysieke inspanningen vergde. Het viel Alvert alles mee hoeveel bruikbaars er na twintig jaar nog van zijn studie Nederlandse Taal- & Letterkunde was blijven hangen.
‘En inspiratie dan?’ vroeg Rolinde, terwijl ze achter haar hoofd aan haar staart friemelde.
Inspiratie werkt verlammend, wilde hij zeggen, omdat hij zo vaak vruchteloos wachtte op iets dat zich maar niet aan hem wilde openbaren, omdat hij zich zo vaak blindstaarde op die geliefde eerste ingeving. Maar de uitdagende oogopslag waarmee Rolinde hem aankeek weerhield hem. Hij kopieerde haar blik en zei langzaam met een lage stem ‘Inspiratie is héél belangrijk…’ Er viel een lange, ongemakkelijke stilte die hen allebei onnozel deed giechelen.